LEGENDA Figuur
ontleend aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 3.2.)
- Aan de hand van een bureauonderzoek wordt een archeologische verwachting van het
plangebied opgesteld. Deze verwachting wordt vervolgens door een Inventariserend
Veldonderzoek gestaafd.
- IVO-overig omvat het niet-gravende onderzoek zoals boren en veldkartering. Het IVO-P
houdt in dat er proefsleuven worden gegraven. Als het bureauonderzoek een lage tot
middelhoge archeologische verwachting uitwijst, dan zal aangevangen worden met een
booronderzoek. Is er sprake van een hoge verwachting dan zal direct worden overgegaan
tot het graven van proefsleuven.
- Zie 5. Middels een selectiebesluit kan de bevoegde overheid bepalen dat het plangebied
na een booronderzoek via proefsleuven nader dient te worden geïnventariseerd.
- Alle inventariserende onderzoeken worden afgesloten met een rapportage waarbij een
waardering/ verwachting van de archeologische resten binnen het plangebied wordt
opgesteld. Aan de hand van de waardering zal een advies voor vervolgonderzoek worden
uitgebracht (zie 6).
- Indien er tijdens een IVO sterke aanwijzingen zijn voor archeologische waarden, dan
zal vervolgonderzoek geadviseerd worden. De bevoegde overheid (meestal de gemeente)
kan middels een selectiebesluit dit advies overnemen.
- Indien er geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen dan zal
er geen vervolgonderzoek plaatsvinden. Indien er wel archeologische resten zijn aangetroffen
en het niet mogelijk is deze in de bodem te laten zitten( fysiek beschermen), dan
zal er worden overgegaan op een Definitief Archeologisch Onderzoek (opgraving).
In bijzondere gevallen kan door de bevoegde overheid worden besloten tot een archeologische
begeleiding. Dit houdt in dat het archeologisch onderzoek gecombineerd wordt met
de civiele werkzaamheden.
Voor deze onderzoeken is een goedgekeurd PvE vereist.